Kort verhaal: Monoloog

Terwijl Edwin zich druk maakt om de heisa rondom de verhoging van de AOW-leeftijd, weten wij dat het eind in zicht is. Zevenendertig jaren zijn we bij elkaar, Isa en ik. We houden, zogezegd, van elkaar. Tegen Linda had ik het gemompeld. Sophie heb ik het geschreven. Anne heb ik het bevestigd, maar door Isa heb ik de betekenis ervan begrepen. Onvoorwaardelijk. Ook nu.

‘Ik word knettergek van die nieuwe collega!’ roept ze bijtend, terwijl ze haar sleutels op de keukentafel smijt. ‘Hij is enthousiast, en dat mag, maar nu vertelt hij mij wat ik zou moeten doen. Het zijn verdomme mijn laatste dagen. Die laat ik echt niet vergallen door die snotneus.’

Ik stel haar gerust met een kopje thee. De ontlading van ruim veertig jaar routine. Het lonkende zwarte gat. Ik weet precies wat ze doormaakt. En dat het mee zal vallen. De rust, de tijd die we samen zullen hebben. Ons hele leven hebben we daar hard voor gewerkt.

Of we zo nog even langs de winkel rijden, vraagt ze. We hebben nog geen droogrek in ons vakantiehuis en omdat we er sinds vorige zomer niet meer geweest zijn zal een voorraad schoonmaakmiddelen ongetwijfeld van pas komen.

Vorige zomer maakten we een tussenstop in Brussel. Daar zijn we tientallen keren langsgereden maar nooit gestopt. Alsof ik weer twintig was, zo stond ik op de foto. Ik had haar gevraagd of mijn haar goed zat en een wapperende beweging met mijn gemillimeterde schedel gemaakt. In het hotel had ze me gevraagd of ik nog steeds van haar hield en of ik dat zou blijven doen als ze ouder werd. Ik antwoordde dat dat vanzelfsprekend was en dat schoonheid niets te maken had met het lichaam van een jeugdige prinses. Schoonheid groeit met je mee. Jeugd zit tussen je oren en is niet tijdgebonden. Jeugd is het elke dag opnieuw ontdekken van het bekende zonder dat het routine wordt. We praatten in de toekomende tijd. Mijn pensioen was een feit. Dat van haar was nabij. We liepen hand in hand door een winkelstraat en deden alsof we geen Frans spraken. Isa moest lachen om de geërgerde blik van de serveerster. We fantaseerden over ons pensioen en als we ieder wild idee aan zouden pakken hadden we het eeuwig leven nodig. We keken er naar uit. We hoefden die ideeën niet aan te pakken, het mocht.

Ik rook een sigaretje terwijl ik toekijk als ze haar laatste boterhammen smeert. Twee met kaas, eentje met hagelslag. En een banaan voor de vitamientjes. Een investering noemde ze dat. ‘Je weet maar nooit waarvoor je een goede weerstand nodig hebt op deze leeftijd.’ Ze is vrolijk vandaag. Nog één keer zwaai ik haar uit naar haar werk. Ze belt me hoe laat ik haar kan ophalen van haar afscheidsborrel. Ik hoop dat ze er niet eentje te veel drinkt, want vanavond komen de kopers van ons huis de contracten ondertekenen.

Ik kijk nog eens rond en herinner me hoe Edwin een indiaan op de muur van de woonkamer had getekend met wasco. Hoe ik daar niet boos om kon worden. Hoe hij het maanden later nog een keer deed, ditmaal een piraat. Hoe hij door mijn gespeelde boosheid heen prikte door nog diezelfde het ooglapje bij te werken met een zwarte stift. En hoe Isa besloot dat we beter iemand konden inhuren om het stucwerk terug in de originele staat te brengen. Morgen is dat stucwerk formeel van een ander. Wij lunchen met Edwin en gaan onze inboedel achterna richting Frankrijk.

Een vriendelijke dame spreekt met dure Franse woorden aan de andere kant van de lijn. De suite is nog vrij morgenavond. Er zit een bubbelbad in van waaruit we door geblindeerd glas over de Champs Elysees uitkijken. Een mooi cadeau onderweg naar het weekend. Het weekend waarop geen werkdag meer volgt. De oude dag.

De telefoon gaat. Op mijn scherm zie ik Isa voor het parlementsgebouw in Brussel. Het blijft een leuke foto. Die borrel zal nu toch nog niet afgelopen zijn? Het is net twee uur geweest. ‘Harrie, met Kathleen,’ hoor ik nadat ik heb opgenomen. ‘Kun je naar het ziekenhuis komen? Isa heeft.. Ze zakte ineens weg. Ze ademt nog, maar we krijgen geen contact met haar. De ambulance komt net aanrijden.’

De spieren in mijn gezicht laten zich niet meer bewegen. Ons luchtkasteel implodeert nadat er een kolossale donderwolk boven is opengebarsten. Ik zie mezelf in m’n eentje in de suite. Dat beeld trekt weg. Ik zie mezelf in mijn eentje. De rest is zwart. Leeg. In de verte loopt Isa maar ze is gevangen in een luchtbel. Iedere stap die ik in haar richting zet drijft ze verder af. Even kan ik enkel huilen. Een traan heeft onze grote droom gevangen en spat op de grond uit elkaar.

Op een bankje geniet ik van mijn sigaret, in een stralend lentezonnetje. Zou Isa zich de tekening van die piraat nog herinneren? Ik zal het haar zo eens vragen. Niet dat ze antwoordt, maar dat maakt de vraag niet minder relevant. Een laatste trekje en ik trap de gloeipunt en het filter tussen de voegen van de klinkers. Ik schuifel terug naar binnen, waar Isa in haar rolstoel zit, bij de ingang van de kantine. Daar zit ze altijd als ik een sigaretje rook.

De verwachtingen zijn niet optimistisch. Horen kan ze nog wel volgens de artsen, al kan zij dat zelf niet bevestigen. Hele dagen zit ze in haar rolstoel, tot de verpleegsters haar weer in bed leggen. Haar hoofd helt iets naar rechts, met haar tong een stukje naar buiten. Ze kijkt naar iets wat ik niet kan waarnemen. Zo duw ik haar voort, terwijl ik haar vertelt wat ze al weet. Hoe ik het tegen Linda mompelde. Schreef aan Sophie. Hoe ik het bevestigde aan Anne en hoe ik bij haar, bij Isa, de betekenis van deze woorden nog steeds voel.

Op mooie dagen wandel ik met haar. Eens kon een klein meisje bij dit aangezicht haar lach niet inhouden. Toen ik haar aankeek, richtte ze haar blik beschaamd naar de grond. Ik kon er niet boos om worden. ‘Ooit zul je liefhebben, meisje. Je zult het schrijven. Bevestigen. Voelen. Het geeft niet.’